Begraafplaats Jodenkamp

De eerste Joodse begraafplaats in de provincie Groningen is die van Farmsum bij Delfzijl welke dateert van 1655. Later komen daar nog begraafplaatsen in Oude Pekela en Veendam bij. In 1732 dient Mozes Goldsmid een aanvraag in voor een begraafplaats en een synagoge in Stad. In 1733 wordt de aanvraag voor een begraafplaats goedgekeurd en krijgt de Joodse gemeenschap een stuk grond aan de Boteringepoort aangeboden. Van dit aanbod is toen geen gebruik gemaakt. Gevolg hiervan was dat de vader van gemeentelid Aaron Levie die in 1744 overlijdt, hij begraven moet worden in Leeuwarden.

Het bestuur van de Joodse Gemeente doet bij herhaling haar beklag over het gebrek aan een eigen begraafplaats. In 1746 wordt daarom weer een aanvraag ingediend bij het gemeentebestuur van de stad en gevraagd om een stuk grond buiten de Oosterpoort. Het aantal joodse inwoners in de stad Groningen is dan al gegroeid tot 100 personen en de afstand naar de bestaande begraafplaatsen is toch wel erg groot. Dit verzoek wordt afgewezen maar men geeft wel een raadslid de opdracht een geschikte locatie te vinden. Tegelijkertijd neemt de Joodse gemeenschap het heft in eigen handen en vindt in 1747 een stuk grond op de Ebbingedwinger in de noordoostelijke vestingwal. Deze locatie is voor beide partijen acceptabel en deze wordt dan ook door het gemeentebestuur ter beschikking gesteld aan de Joodse gemeenschap. In 1747 is Mindele Izaaks Cohen de eerste persoon die hier begraven wordt.

Ten tijde van de eerste begrafenissen was er nog geen Hevra Kaddisj* in de stad. Dit had te maken met het reglement van de Joodse Gemeente dat toen gold waarin alle verplichtingen al waren geregeld. Nadat een nieuw reglement van kracht wordt waarin deze verplichtingen geschrapt zijn is er wel behoefte aan een Hevra Kaddisj welke in 1778 opgericht wordt.

In 1782 wordt er nog een stuk grond aan de begraafplaats toegevoegd waardoor een winkelhaakvormig perceel ontstaat dat ruimte biedt aan 1300 tot 1400 graven. De Joodse Gemeente betaalt hiervoor jaarlijks een pachtsom aan het gemeentebestuur van de stad.

In 1786 wordt de toegangsweg vanaf het Boterdiep verhard en krijgt de begraafplaats een Metaheerhuisje. De kosten voor het begraven van een persoon bedraagt rond 1800 anderhalve gulden en voor een kind 75 cent. Ook Joden uit de omliggende plaatsen Zuidhorn, Grijpskerk en Winsum worden op de begraafplaats begraven. Overigens heet niet alleen de begraafplaats Jodenkamp, er is ook een straat die deze naam draagt. De straat ligt tussen het Boterdiep en de latere Bloemsingel en voert naar de begraafplaats waar het zijn naam aan ontleent. In 2011 wordt de straatnaam gewijzigd en krijgt de straat de naam Botermolendrift.

Tussen 3 en 5 februari 1825 krijgt de stad te maken met een stormvloed. Verschillende dijken, waaronder die van het Reitdiep dat dan nog rechtstreeks in verbinding staat met de zee, breken door en veroorzaken overstromingen. Het hele gebied tussen Zoutkamp en de stad Groningen komt onder water te staan en het duurt lang voordat alle dijken zijn gedicht en het water is opgedroogd. In 1826 breekt er nogmaals een dijk dicht bij de stad, waardoor er weer hele stukken land onder water komen te staan. Vervolgens zorgen het warme voorjaar en zomer ervoor dat er ideale omstandigheden ontstaan voor malariamuggen die zich het liefst voortplanten in ondiepe plassen brak water. Dit heeft allerlei ernstige ziekten tot gevolg die in de volksmond de Groninger ziekte wordt genoemd. Het is waarschijnlijk een combinatie van tyfus en malaria. Bijna een tiende van de bevolking bezwijkt waardoor ook de grote hoeveelheid lijken zorgen voor een nieuw besmettingsgevaar. Het gemeentebestuur neemt maatregelen, waaronder de aanleg van de Noorder- en Zuiderbegraafplaats welke in 1827 in gebruik genomen worden. Vervolgens moeten alle nog in gebruik zijn de begraafplaatsen binnen de stadswallen gesloten worden. Ook de Jodenkamp ondergaat dit lot, de laatste begrafenis vindt plaats in 1827 waarna deze op 1 november van dat jaar gesloten wordt. Vanaf dat moment worden de Joodse overledenen begraven op het noordelijke deel van de Noorderbegraafplaats aan de Moesstraat en later op de Joodse begraafplaats aan de Winsumerstraatweg tegenwoordig bekend als begraafplaats Iepenlaan. Tot 1885 wordt de Jodenkamp min of meer ongemoeid gelaten.

In 1882 krijgt de Joodse Gemeente een vergoeding van 277,50 gulden voor het gebruik van een strook van de begraafplaats voor de aanleg van een weg. Het overige deel wordt nu eigendom van de Joodse gemeenschap. De sloot rondom de begraafplaats wordt gedempt en in 1894 wordt de begraafplaats ommuurd en voorzien van een hekwerk. In het begin van de 20e eeuw wordt de begraafplaats steeds meer ingesloten door bebouwing. Zo ligt sinds 1912  aan de westzijde een groot universitair laboratorium en ten zuiden ligt de gasfabriek met enkele enorme gashouders. 

Eind 1953 vraagt de Minister van Wederopbouw en Volkshuisvesting de medewerking van de gemeente ten behoeve van de uitbreiding van het Scheikundig Laboratorium aan de Bloemsingel. Hij wil hiervoor, het aan het laboratorium grenzende, terrein van de Jodenkamp verkrijgen. Hij krijgt zijn zin met als gevolg dat de graven moeten worden geruimd en overgebracht naar de Moesstraat.  Vóór men hier toe over kan gaan moet eerst aan bepaalde godsdienstige voorschriften worden voldaan. Het Rijk moet niet alleen toestemming hebben van de Joodse Gemeente en het gemeentebestuur, maar ook van het Opperrabbinaat. Naar verluidt heeft Opperrabbijn A. Prins, die dan al 1,5 jaar in Israël woont, zijn goedkeuring gegeven. Het Rijk heeft behalve de overname van het terrein van de Jodenkamp ook een stuk grond van 700m2 van de gemeente Groningen gekocht. Dit perceel ligt aan de oude Winsumerstraatweg en wordt overgedragen aan de Joodse Gemeente.

In 1954 is het zover, tussen mei en december worden de stoffelijke resten van de Jodenkamp overgebracht naar de Moesstraat. In totaal 55 dan nog overgebleven stenen worden in het noordelijke deel van de begraafplaats in een carré (vierkant) geplaatst samen met het oorspronkelijke toegangshek. Op de zuilen zijn 3 gedenksteentjes aangebracht: “Geopend 5507./1747.”, “Gesloten 5587./1827.” en “ Ommuurd 5655./1894.” .

Achter het hek staat een kleine gedenksteen met Hebreeuwse tekst, waarvan de vertaling luidt: “Op dit veld van wenenden werd begonnen te begraven in het jaar 507 (1747) / en men hield op daar een graf te graven in het jaar 587 (1827) / en er werd daar een muur omheen gebouwd in het jaar 655 (1894)”.

Achter deze steen is nog een steen geplaatst met daarop zowel een Hebreeuwse als Nederlandse tekst. De vertaling van de Hebreeuwse tekst luidt: “De doden die verborgen zijn in dit deel van | het huis des levens (=begraafplaats), binnen de grafzerken, | zij waren tevoren begraven in het huis des levens | dat in de mond van allen werd genaamd “Jodenkamp” | en zij werden hierheen naar hun eeuwige | rust gebracht in het jaar 714 (1954) | TNSBH”. De Nederlandse tekst luidt: “In dit deel der begraafplaats zijn te ruste gelegd in het jaar 5714 (1954) | de stoffelijke overschotten van hen, die voorheen begraven waren in “De Jodenkamp”.

Als er sprake is van herontwikkeling van het gebied wordt dit aangeduid als het Circus-, Boden- en Gasfabriekterrein afgekort als CiBoGa. In 1999 wordt begonnen met het saneren van het CiBoGa-terrein. Omdat er twijfel bestaat of alle stoffelijke overschotten wel herbegraven zijn heeft de gemeente Groningen, in de persoon van de gemeentelijk archeoloog dhr. drs. G.L.G.A. Kortekaas, besloten een definitief archeologisch onderzoek (DAO) te starten. Dat dit niet overbodig is blijkt uit het feit dat er maar liefst 31 resten van personen gevonden worden. Het gaat hierbij om de resten van 25 kinderen en zes volwassenen die vervolgens onder toezicht van dhr. D. Blog van de joodse gemeenschap uit Amsterdam opgegraven worden. Dit keer wordt slechts 1 kist bijgezet bij de al bestaande graven op de Moesstraat. Dit gebeurt onder toezicht van Rabbijn Spiero uit Amsterdam die ook het Kaddisj* uitspreekt.  Reden voor het niet herbegraven op deze plaats van de overige resten is dat er bij de graafwerkzaamheden op de Moesstraat, voorafgaand aan het herbegraven, skeletresten van jonge kinderen in de bodem aanwezig blijken te zijn. Uit piëteit is daarop besloten om de skeletten in de grond niet verder te verstoren. De overige resten zijn daarom herbegraven op de Iepenlaan. De Joodse gemeenschap uit Groningen wordt hierbij vertegenwoordigd door dhr. F. Grunewald en dhr. Vleesblok. Zij assisteerden voornamelijk bij het lichten van de begravingen.

Op zowel de begraafplaats aan de Moesstraat als op de begraafplaats aan de Iepenlaan bevinden zich gedenktekens ter herinnering aan de doden die ooit zijn begraven aan de Jodenkamp. Deze gedenktekens zijn voorzien van een gedicht van stadsdichter Ronald Ohlsen (foto’s volgen later).

Op 13 mei 2012 is een herinneringsteken onthuld van kunstenaar Bettina Furnée aan de oostzijde van Het Paleis in Groningen ter herinnering aan de voormalige Joodse begraafplaats de Jodenkamp achter Het Paleis.

© Foto: https://www.oogtv.nl/2012/05/herinnering-aan-verdwenen-begraafplaats/

* Hevra Kaddisj = een vereniging die alle religieuze verplichtingen op zich neemt bij ziekte en dood
* Kaddisj = het gebed dat bij begrafenissen door een van de rouwenden wordt uitgesproken


Bronnen:
Mr. J.H. De Vey Mestdagh – De Joodse Inwoners van de stad Groningen en hun begraafplaatsen aldaar deel 1
Dodenakkers, Funerair Erfgoed
Memento|Mori – Stadse Fratsen 8
Nieuwsblad van het Noorden

Illustraties:
Nieuwsblad van het Noorden
Oog TV
© Collectie Regina Philip

Laatst bijgewerkt:
31-10-2020