Historie der Joden in Appingedam

Appingedam behoort niet tot de grootste, maar wel de oudste Joodse gemeenschappen van Nederland. Vanaf de veertiende eeuw doen volksverhalen de ronde over enkele Joden in Groningerland. Vóór 1525 zouden 3 Joden een zilveren hostiekelk gestolen hebben met daarin gewijde ouwel uit de kerk van Solwerd, ongeveer 10 minuten gaand van Appingedam. De eerste officiële vermelding van vestiging van Joden in de stad dateert van 1536. Joest Muesken de Joede, geboren te Praag rond 1499, komt vergezeld van zijn vrouw Rachel en zijn kinderen naar de stad. Voor hij naar Appingedam komt woont hij in Linnichin in het hertogdom Gulik. Het stadsbestuur vond dat hij wel had mogen blijven toen hij in 1545 vertrok want hij had er geruime tijd gewoond en zich als een vrome jood gedragen. In 1551 keert hij terug in Linnichin en krijgt daar een paspoort. In dit paspoort wordt ook zijn vrouw Rachel genoemd waar hij inmiddels mee gehuwd is. In datzelfde jaar vertrekt hij naar het rechtsgebied van het Stift Sankt Quirin aan de Ahr waar het gezin door abdis Christina van Velbrughen wordt toegelaten. Gedurende 12 jaar is hij werkzaam in Müsch als lommerdhouder. Ook de abdis geeft hem een mooie getuigenis mee in zijn paspoort als hij in 1563 met zijn gezin naar Appingedam vertrekt. Het is overigens in Müsch dat hij de naamstoevoeging Muesken krijgt.

Dankzij de gunstige aanbevelingsbrieven van Linnich en Müsch, die hij overigens verplicht moest kunnen tonen, krijgt hij op 28 juli 1563 een vergunning om zich voor een periode van 6 jaar in Appingedam te vestigen. Hij moet hiervoor ‘zes keizers gulden’ per jaar betalen. Voor dit bedrag mag hij huizen en kamers huren waar hij dat wenst. Daarnaast mag hij geldschieter zijn tegen onderpand. Bij aflossing mag hij max. 32% rente per jaar berekenen. Hij krijgt nauwkeurig regels opgelegd waar hij zich aan moet houden. Met nadruk wordt hem verboden zich met “ornamenten der Kercken” in te laten. Bij overtreding van deze regels moet hij de stad verlaten.

Plattegrond van Appingedam 1560-1580

Na de nodige commotie omtrent de vestiging van meer Joden in de stad wordt in een verklaring van de richters op 8 november 1564 benoemd dat Joest zeer bemind en met name voor arme burgers van nut is. In 1564 is Joest al 65 jaar oud. Het is niet zeker of hij en zijn familie hun laatste jaren in Appingedam doorgebracht hebben of dat hij in Appingedam is overleden. Het is wel mogelijk dat zijn vrouw Rachel of enkele van zijn andere huisgenoten in de stad gebleven zijn. Jammer genoeg is dit niet te verifiëren, omdat uit ca. 1595 en 1605 alleen de namen van Marcus Geraerts en Jacques de Moll overgeleverd zijn. Hoewel hier nog steeds geen zekerheid over bestaat, is het bovendien goed mogelijk dat deze Joest Muesken verwant is met de uit Emden afkomstige Philip Joosten, de eerste ‘rabbijn’ van de Joodse gemeenschap in Amsterdam.

In 1627 wordt de synode weer opgeschrikt door een nieuwe uitbarsting van klachten, vergezeld door een dringend verzoek de Joden uit de provincie te doen verdrijven. Zij geeft Deputati Synodi de opdracht een uitwijzing bij de Staten te bepleiten. Hieraan wordt geen gehoor gegeven. Vervolgens wordt het verzoek in afgezwakte vorm ingediend. Nu wordt verzocht de Joden uit die plaatsen te weren waar zij zich nog niet gevestigd hebben. Deze procedure sleept zicht voort tot 1634 en ze weten uiteindelijk te bewerkstelligen dat in 1669 de synagoge wordt gesloten. Deze synagoge is sinds 1667 gevestigd aan het Bolwerk en waarschijnlijk niet veel meer dan een huissynagoge. Erediensten vinden later plaats in een huissynagoge aan de Dijkstraat. In 1801 wordt de synagoge aan de Broerstraat ingewijd. In 1821 krijgt Appingedam de status van ringsynagoge.

Op 27 februari 1688 laat de stadsregering in haar resolutieboek aanteken dat burgemeesters “uyt speciale consideratie op het verzoek van Hessel Isaacks de Jode, aan hem ende sijne twee zoonen Isaack en Arent Hessels (hebben) toegestaen het vrije geleyde om te mogen woonen alhier, jaerlyx voor de somma van zes caroli guldens…“. Hessel kan beschouwd worden als de “grand old man” van de Joodse gemeenschap in Appingedam. Zijn nageslacht groeit en bloeit in de stad door tot in de 20e eeuw.

In de loop van de 18e eeuw neemt het aantal Joden gestaag toe. Onder hen zijn een onderwijzer en ritueel slachter. Voor het recht van inwoning moeten zij nog steeds evenveel betalen als Joest Muesken in 1563. Uit een akte van 1703 blijkt dat de gemeenschap dan ongeveer 30 zielen telt, in 1780 zijn dat er zo’n 100 en in 1809 wonen er 130 Joden in het stadje. De belangrijkste bronnen van bestaan zijn in de porseleinindustrie, het geldwezen, de handel in ongeregelde goederen, veehandel en de huidenhandel. Daarnaast zijn er veel joodse slagers. De omstandigheden waaronder de Joden in Appingedam leven is niet gemakkelijk, daarom verzoeken zij in 1780 de stadsraad niet nog meer Joden toe te laten uit vrees voor meer concurrentie in de porseleinhandel.

Aanvankelijk worden de Joodse inwoners van Appingedam begraven op een apart gedeelte van de Joodse begraafplaats in Farmsum. In 1763 wordt door burgemeesters een vergunning verleend voor een begraafplaats die aan de Heidensgang in Appingedam is aangekocht. In 1832 heeft het perceel de kadastrale aanduiding Appingedam D 36. Omstreeks 1900 wordt op de begraafplaats een metaheerhuis gebouwd, waar de doden worden verzorgd en van waaruit de uitvaart plaatsvindt. Dit gebouw is een geschenk van de heilige vereniging “Gemilath Chasidiem” en bestaat nu niet meer; er rest slechts een herdenkingssteen. De begraafplaats is afgesloten d.m.v. een muur en een hekwerk.

Het aantal Joodse inwoners blijft ook in de 19e eeuw nog groeien tot 285 personen in 1899. De veranderende sociale en economische omstandigheden leiden er echter toe dat velen van hen hun geluk elders gaan zoeken. In 1930 is hun aantal gedaald tot 153. Kort voor de oorlog leven er nog 84 Joden in de stad. Op 10 juli 1942 worden de eerste Joden naar Westerbork gedeporteerd. Vanaf het najaar 1942 tot het voorjaar van 1943 volgen nog 7 deportaties. Vijf personen kunnen onderduiken en van de gedeporteerden is slechts een enkeling teruggekeerd. In 1985 is er op het pleintje voor de synagoge een monument onthuld met daarop de namen van de 78 omgekomen Damster Joden. In 1984 wordt in het raadhuis van de stad een gedenkteken onthuld door Rabbijn J.S. Jacobs van het Opperrabinaat in Utrecht.

(klik op afbeelding voor vergroting)

Bronnen:
Joden in Noord-Oost Groningen – redactie J.H. de Vey Mestdagh
Joods Cultureel Kwartier
Groningen 4045
Nieuwsblad van het Noorden

Illustraties:
Groninger Beeldbank – Jacob van Deventer del. ; lith. J. SMulders & Co.
Wikimedia – Gouwenaar

Gepubliceerd:
24-08-2020