Folkingestraat synagoge

De kleine en onooglijke synagoge uit 1756 maakte in 1905, na bijna 250 jaar trouwe dienst, op dezelfde plek plaats voor een nieuwe en veel opvallender opvolger. Wat restte waren de ramen, deuren, kozijnen, ‘jufferhout’ en ‘een groote partij Brandhout’, bestemd voor de hoogste bieder. Over de bouw van de nieuwe sjoel ontstond binnen de Groningse kille een hoop gekibbel. Niet vanwege de opvallende Moorse stijl, maar om de kosten. Wie moest dat betalen?

Ze vonden het geen porem meer, de Stad-Groninger Joden die rond 1900 op sjabbat ochtend, op weg naar de dienst, hun sjoel in de Folkingestraat in het zicht kregen. Daar liepen ze in hun beste kleren, op weg naar het sjofele en veel te kleine gebouwtje uit 1756. Met een onooglijke voorgevel; in niets de Joodse kerk waar je je met goed fatsoen vertonen wilde. En waar je ook nog een hutjemutje op elkaar zat.

Nee, dan de katholieken en de protestanten in dezelfde Groningse binnenstad. Díe hadden pas godshuizen waar je gezien wilde worden en waar je tijdens de dienst de ruimte had. En waaraan je niet alleen de godsvrucht maar ook de maatschappelijke status van de leden kon aflezen.
De ongeveer 2700 Joodse Stadjers, met name het gefortuneerde deel daarvan met zijn fabrikanten, artsen, advocaten, hoogleraren, winkeliers, handelaren en andere maatschappelijk geslaagden, konden daar niet bij achterblijven.

Aan het eind van de 19e eeuw werd in het bestuur van de Joodse Gemeente de wens steeds sterker om de oude synagoge te laten slopen en er een prachtvolle nieuwe voor in de plaats te laten zetten. Een synagoge die zich in schoonheid en aanzien kon meten met de kerken in de binnenstad.
De keuze voor een architect viel al snel op de destijds bekende gereformeerde kerken-architect Tjeerd Kuipers (1857-1942) uit Friesland. De leden van de Joodse Gemeente Groningen hadden hem rond 1901 al aan het werk kunnen zien toen hij aan de Stationsstraat de bouw van zijn Zuiderkerk leidde, op een flinke steenworp afstand van de synagoge.

Van synagogen geen sjoege
Mede vanwege deze proeve van bekwaamheid besloot het bestuur van de Joodse Gemeente Groningen in 1904 Kuipers uit te verkiezen om de nieuwe synagoge te ontwerpen. De bouw werd gegund aan aannemer M. Meijer in Leeuwarden, voor een bedrag van 52.945 euro. Architect Kuipers had dan wel tientallen kerken ontworpen, maar van synagogen had hij weinig sjoege. Om inspiratie op te doen, maakte hij een studiereis door Duitsland. In Berlijn raakte Kuipers onder de indruk van de Moorse of oriëntaalse stijl van onder meer de synagoge aan de Oranienburgerstrasse. Het gebouw, dat wonderbaarlijk in WO II gedeeltelijk gespaard is gebleven, dateert uit de tijd dat de Duitse Joden in hun synagoge-architectuur hun oosterse wortels wilden uiten. De opvallende oosterse koepel op het gebouw en vele hoefijzerbogen in de buitenmuren en het interieur waren destijds synoniem voor ‘Joods’.

Maar rond 1900 was die oriëntaals/Moorse mode in de synagogenbouw alweer uit de tijd: Duitse Joden waren zich inmiddels echte, trotse Duitsers gaan voelen en kozen daarom voor een meer neutrale bouwstijl. Maar dat kon voor Kuipers de pret niet drukken; hij had nu een beeld van een heuse synagoge. Plaatjes vol hoefijzerbogen en Alhambra-achtige ornamenten die hij zag van de Moorse synagoge in Toledo (tegenwoordig de kerk Santa Maria la Blanca), versterkten zijn beeld van de ideale sjoel voor Groningen. Wie tegenwoordig foto’s van beide gebouwen naast elkaar legt, ziet de frappante overeenkomsten.

Misdadigen aanslag
De daadwerkelijke bouw van de synagoge begon niet zonder slag of stoot. Het bestuur van de JGG kreeg te maken met forse protesten uit de eigen achterban. Die worstelde niet zozeer met de opvallende architectuur, als wel met de vraag ‘wie zal dat betalen?’. De Joodse Gemeente had zelf niet genoeg geld in kas.
Historicus Stefan van der Poel beschrijft deze worsteling in zijn boek ‘Honderd jaar Folkingestraat-Synagoge 1906-2006’:
‘Zelfs leden van het Joodse kerkbestuur spraken daarom van een ‘lichtzinnig’ project dat neigde naar ‘grootdoenerij’. Kuipers had de kosten zo veel mogelijk proberen te drukken door goedkope materialen te gebruiken. De latere architect A.Th. Dubbeling, die zich met de restauratie zou bezighouden, betitelde het gebouw eens als ‘pracht voor een koopje’. Sommigen toonden zich angstig dat de ‘ware Joodsche geesten en echte Oostersche warmte’ in het nieuwe gebouw verloren zou gaan. De sjoel zou sporen van’ Joods verval’ (lees: assimilatie) in zich dragen.’

Het Nieuwsblad van het Noorden plaatste in december 1904 een boze brief van het Joodse gemeentelid B. Pronk. Daarin riep Pronk zijn medeleden op een protestvergadering te bezoeken op dinsdag 3 januari 1905. Ze moeten daar ‘toonen, dat h.h. kerkeraadsleden geen misdadigen aanslag op uwe beurs mogen doen – dat zij niet zonder u en over u naar hun willekeur mogen beschikken’. Het stak Pronk onder meer dat het bestuur van de Joodse Gemeente de minimumleeftijd voor betaling van contributie verlaagde om de kosten van de nieuwbouw te kunnen betalen. Voortaan moesten alle mannen van 23 jaar en ouder contributie betalen, volgens Pronk ’jongelieden waarvan het grootste deel bij hunne ouders inwonen’.

‘Schau mal, die Moschee von Groningen’
De protesten haalden niets uit, de nieuwe sjoel kwam er in 1906. Wat van de oude restte, staat fraai opgesomd in een advertentie van deurwaarder Fr. De Boer, Vischmarkt Z.z. 46 in het Nieuwsblad van het Noorden: ‘Balken, Planken, Jufferhout, Kozijnen, Deuren en een groote partij Brandhout’. De nieuwe werd een heuse poldersjoel. Met iets oosters, iets christelijks, iets joods én iets Gronings. Plus een snufje Grieks en Fries. Zelfs in onze tijd leidt het gebouw daardoor tot verwarring. Menig Duitse toerist roept in het voorbijgaan verrukt uit: Schau mal, die Moschee von Groningen!” En nog niet zo lang geleden pronkte een foto van de voorgevel in de jaarkalender met de twaalf mooiste moskeeën van Nederland van een Turks-islamitische organisatie.

De ramen in de gevel en de torens, de bogen op en onder de galerijen binnen: overduidelijk is te zien dat de Groningse synagoge gebouwd is in de Moorse stijl. Kenmerkend zijn de hoefijzerbogen in de ramen en rond de deuren. Ook Kuipers’ christelijke achtergrond en ruime ervaring met kerkenbouw hadden grote invloed op de vormgeving van het gebouw. Sommigen zullen het als een gotspe beschouwen: de synagoge heeft veel weg van een christelijke kruiskerk. Op Google Maps is duidelijk te zien dat de plattegrond van het gebouw een perfect kruis vormt. Ook binnen is deze klassieke kerkvorm goed te zien: een kort en een lang  tongewelf die samen een kruis vormen, een transept, een apsis, een middenschip en twee zijschepen. Het vele glas in lood maakt de kerk helemaal af.

Ansichtkaart Interieur Synagoge ca. 1927

Zeecontainer
Het had niet veel gescheeld of de Groningse synagoge had er niet meer gestaan. Na de Tweede Wereldoorlog kon de Joodse Gemeente haar synagoge niet lang meer in bezit houden. Het aantal leden was te klein om het onderhoud en de stookkosten van het enorme gebouw te kunnen betalen. De Joodse Gemeente zag in 1952 geen andere oplossing dan de synagoge te verkopen. De diensten werden voortaan gehouden in de kleinere, voormalige jeugdsynagoge in de Folkingedwarsstraat.

De synagoge werd een wasserij, ververij en stomerij met de naam Astra (ster). En dat leidde tot de aftakeling van het gebouw. De chique koperen kroonluchter werd door de Joodse Gemeente verkocht en met de opbrengst werd een bejaardentehuis in Israël gesponsord. De Heilige Arke met sierlijk houtsnijwerk verdween spoorloos, evenals de vele rijen donker eikenhouten zitbanken. De smeedijzeren hekken van de vrouwengalerij werden gesloopt en afgevoerd. De zaal kwam nu vol te staan met wasmachines en kledingrekken. De damp van de wasmachines werd afgevoerd met buizen die dwars door het fraaie glas in lood gestoken werd. Op de vrouwengalerij kwam een kerk van het Apostolische Genootschap. Van galerij tot galerij werd een vloer gelegd waardoor een kerkruimte ontstond met plaats voor 350 gelovigen. De Moorse bogen werden dichtgemetseld en de wanden wit geschilderd. Op de galerij onder de Davidster werd een kantine ter grootte en in de fraaie stijl van een zeecontainer ingebouwd.

Gered
In 1973 werd de wasserij gesloten vanwege malaise in de wasserij business: vrijwel ieder huishouden beschikte inmiddels over een eigen wasmachine. Niemand wilde het gebouw kopen. De gemeente Groningen wist niet wat ze ermee aan moest. Sloop leek nog de enige mogelijkheid. Toch is het gebouw gered door een initiatief van Lenny Wolgen-Salomons. Na jaren van leegstand, verpaupering en plundering werd het ontzielde en lekkende gebouw in 1980 en 1981 gerestaureerd.
Minstens één wonder geschiedde: tijdens de restauratiewerkzaamheden liep een man de sjoel binnen met een metalen tuinhekje onder zijn arm. ‘Dit hekje komt hier vandaan’, verklaarde hij. De restaurateurs waren ermee in hun nopjes. Ze lieten kopieën van het hek maken die tot op de dag van vandaag de galerij sieren.

De rest van het gebouw kreeg in 1981 een totale make-over door de Amsterdamse industrieel ontwerper Piet Cohen (1935). Hij ontwierp een compleet nieuw interieur, inclusief Heilige Arke, zitplaatsen, bima, amoed en verlichting. Het moderne, geometrische ontwerp vormt bewust een sterk contrast met de oosterse, ronde stijl van de rest van het gebouw.

Sinds de restauratie is de Groningse synagoge weer volop in gebruik. Het religieuze deel door de Joodse Gemeente als sjoel en het openbare deel door de Stichting Folkingestraat Synagoge als ruimte voor exposities, rondleidingen, concerten, educatie en lezingen.

Kom binnen en maak een virtuele wandeling door de synagoge


Auteur:
Marcel Wichgers
Medewerker Stichting Folkingestraat Synagoge
Programmering | educatie | communicatie

Bronnen:
Stefan van der Poel: 100 jaar Folkingestraat-synagoge 1906-2006 (Groningen 2006)
Nieuwsblad van het Noorden

Illustraties:
© Collectie Regina Philip
Groninger Archieven
Nieuwsblad van het Noorden

Gepubliceerd:
04-08-2020